menuline
anbiGiften welkom op 
rekening:
NL59 ABNA 0519 4807 67
Seibo Werkgroep, Putten.
ANBI rsin: 816257863

info@seibowerkgroep.nl
Wij onderschrijven de
eza

Les 12

Theorie

  • We gaan vanaf nu de vraagzinnen behandelen, daarom staan in de woordenlijst vandaag de vraagwoorden.
  • De vraagwoorden die je in de woordenlijst aantreft kunnen niet worden verbogen, met uitzondering van de volgende:
    • cuál en quién hebben een aparte vorm voor meervoud: cuales en quienes.
    • cuánto heeft aparte vormen voor vrouwelijk en meervoud: cuánta, cuantos en cuantas.
  • Een vraagzin wordt voorafgegaan door een ¿, een uitroepzin door een ¡.
  • Over het algemeen gebeurt met de zinsvolgorde bij vragende zinnen met een vraagwoord hetzelfde als in het Nederlands: ¿Dónde está el martillo? ¡El martillo está en la casa!--> Waar is de hamer? De hamer is in het huis!
  • Een gewone bevestigende zin kan vragend worden gemaakt door de intonatie te veranderen. De zinsvolgorde blijft hetzelfde: ¿El martillo está en la casa? --> Is de hamer in het huis?
  • Bij een vragende zin zonder vraagwoordloopt de intonatie vanaf de eerste beklemtoonde lettergreep omlaag en vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep weer omhoog.
  • Bij een vragende zin met een vraagwoordloopt de intonatie vanaf het vraagwoord naar beneden. Als de zin extra beleeft of extra geïnteresseerd moet overkomen, dan stijgt de intonatie weer vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep.
  • Hierbij wat voorbeeldzinnetjes voor de intonatie:
    • ¿Te sirve este libro? (Heb je iets aan dit boek?)
    • ¿Eso te lo trajo Juan? (Heeft Juan dat voor je meegebracht?)
    • ¿De dónde es esa chica? (Waar komt dat meisje vandaan?)
    • ¿Y de dónde es usted? (En waar komt u vandaan?) --> extra beleefd uitgesproken
    • Geluidsopname 27, bevat deze zinnetjes.
  • Voor lijdende zinnen met worden wordt het werkwoord ser (zijn) gebruikt: Er worden 3 hamers gekocht. --> Tres martillos son comprados.
  • Naast onregelmatige werkwoorden is er ook een groot aantal zogenaamde diftongerende en sluitende werkwoorden. Of een werkwoord diftongeert of sluit moet per werkwoord worden geleerd.Bij diftongering staat er een klinker in de stam die, bij de vormen waar de klemtoon op de stam ligt, verandert in een tweeklank. Dit is een o die ue wordt, of een e die ie wordt. Bij sluiting staat er een klinker in de stam die bij bepaalde vormen verandert in een andere klinker. Dit is een o die u wordt, of een e die i wordt. Op sluiting gaan we binnenkort verder in. Er zijn ook werkwoorden die al ue of ie in de stam hebben, die blijft dan over alle vormen ongewijzigd.
  • Van de tot nu toe behandelde werkwoordsvormen ligt alleen vier van de zes vormen van de tegenwoordige tijd de klemtoon op de stam. Alleen voor deze vormen heeft diftongering effect. Hierbij een paar rijtjes als voorbeeld:
    • Werkwoorden met diftongering: perder (verliezen), morder (bijten)
    • Ik verlies        pierdo / muerdo
    • Jij verliest       pierdes / muerdes
    • Hij verliest     pierde / muerde
    • Wij verliezen   perdemos / mordemos
    • Jullie verliezen perdéis / mordéis
    • Zij verliezen     pierden / muerden
  • Geluidsopname 28, bevat deze rijtjes.

    Idioom

    Vraagwoorden:

    hoe = cómo
    welk = cuál
    hoe/wat = cuán
    wanneer = cuándo
    hoeveel = cuánto
    waar = dónde
    wat/welk = qué
    wie = quién
    of = si (niet te verwarren met sí, zie onder)
     

    Werkwoorden met diftongering:

    verliezen = perder (ie)
    bijten = morder (ue)
    tellen/vertellen = contar (ue)
    pijn doen = doler (ue)
     

    Bijbelboeken:

    Mattheüs = San Mateo
    Markus = San Marcos
    Lukas = San Lucas
    Johannes = San Juan
    Handelingen = Hechos
     

    Menselijk lichaam:

    de vinger = el dedo
    de nagel = la uña
    de borst = el pecho
    de buik = la barriga
    het been = la pierna
    de knie = la rodilla
    de voet = el pie
    de teen = el dedo de pie
     

    Andere woordjes:

    ja = sí (niet te verwarren met si, zie boven)
    nee/niet = no
    de elektriciteit = la electricidad
     

    Zinnen:

    Welke knie doet pijn? = ¿Cuál rodilla duele?
    Wie telt de spijkers? = ¿Quién cuenta los clavos?
     

     

     

    Geluidsopname 29, bevat deze woordenlijst.